FAQ Interreg VI

Vind je in deze FAQ-lijst niet de antwoorden die je zoekt, kijk dan zeker naar de verschillende gidsen en leidraden (Interreg VI) op deze website, benader één van onze projectadviseurs, of stuur een mail naar info@grensregio.eu.


Inhoudelijk

  • Wat is het verschil tussen ‘uitrol’ en ‘demonstratie’?

    Demonstraties of pilots vormen de brug tussen het afronden van een onderzoek en de grootschalige uitrol (of implementatie) van een innovatie. Zij bieden de mogelijkheid om innovaties te testen in uiteenlopende contexten. Een belangrijk kenmerk van demonstraties/ pilots is dat deze toegankelijk dienen te zijn en een duidelijke demonstratiewaarde hebben. Per locatie moet de toegevoegde waarde van de demonstratie of pilot worden onderbouwd. Grootschalige uitrol of implementatie van een innovatie is niet haalbaar gezien de beperkte middelen die het programma ter beschikking heeft. Zodoende is dit niet subsidiabel binnen Interreg Vlaanderen-Nederland.

  • Bij prioriteiten A en B is vaak enkel demonstratie mogelijk, en geen uitrol. Hoe staan we daar tegenover in SD A2 en prioriteit C, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van opleidingen?

    In de teksten bij SD A2 en prioriteit C staat niets over het ontwikkelen dan wel uitvoeren van opleidingsinitiatieven. Bij de Interreg V-projecten in as 4 zie je vaak een combinatie van ontwikkeling (1e deel project) en uitvoering/bijsturing/evaluatie van opleidingen (2e deel project). Een goede balans tussen deze twee delen is van belang. Bijvoorbeeld: een projectvoorstel waarbij in de eerste 6 maanden een opleidingsmodule met een korte looptijd (bv. 3 maanden) zou worden ontwikkeld, met in de rest van de projectperiode enkel uitvoering van deze opleiding, is niet wenselijk. 

    Eerder ‘reguliere’ kosten van opleiders, faciliteiten, etc. zijn dus subsidiabel, maar moeten in verhouding staan tot de kosten voor (door)ontwikkeling van de opleiding. Dit moet per project worden bekeken. Vergoedingen voor de tijd die deelnemers aan opleidingstrajecten investeren zijn uitdrukkelijk niet subsidiabel. 

  • Bij Specifieke Doelstelling (SD) A1 staan ‘grensoverschrijdend complementair’ en ‘grensoverschrijdende aantrekkingskracht’ als sleutelwoorden. Wat wordt hiermee bedoeld?

    Moet het aantrekkelijk zijn voor partijen langs de andere kant van de grens?  

    Inderdaad, de onderzoeksinfrastructuur moet ook aantrekkelijk zijn voor/ en zal gebruikt worden door bedrijven of onderzoeksinstellingen aan de andere kant van de grens. Het zou kunnen worden aangetoond door: 

    • allereerst het gegeven dat die infrastructuur niet al bestaat aan de andere kant van de grens (of tenminste niet zo nabij als de nieuwe infrastructuur) 
    • verder het gegeven dat er vraag naar is/lijkt (kan worden aangetoond op tal van manieren, met cijfers voor wat betreft het aantal bedrijven die actief zijn in de niche waar de infrastructuur op inspeelt, eventueel met verklaringen van die bedrijven, of gewoon door tekst die dat logisch/aannemelijk maakt 
    • door betrokkenheid (bij de invulling van de onderzoeksfaciliteit, dus het bepalen van welke machines er allemaal moeten komen) van een klankbordgroep, met bedrijven van beide kanten van de grens 
    • … 
  • ​Wat voor onderzoeksinfrastructuur past onder Specifieke Doelstelling (SD) A1?

    Er is geen definitie voor onderzoeksinfrastructuur opgenomen in het IP. Uit de omschrijving van de SD blijkt het belang van de marktgerichtheid ervan. De onderzoeksinfrastructuur moet (mede) toegankelijk zijn voor het bedrijfsleven. Ook moet de onderzoeksinfrastructuur grensoverschrijdende meerwaarde hebben door complementaire infrastructuur of infrastructuur met een grensoverschrijdende aantrekkingskracht in te richten. Een laatste belangrijk punt is dat deze ten dienste moet staan van het soort innovatie dat het programma wilt ondersteunen, dus gericht op maatschappelijke noden en passend binnen TRL-niveau’s 4-8 (toegepast onderzoek). 

  • Bij de Specifieke Doelstellingen van Prioriteit B worden 'bovenwettelijke technologieën’ en ‘vernieuwende organisatie’​ vermeld. Wat wordt hiermee bedoeld?

    Met bovenwettelijke technologieën wordt bedoeld: technieken die niet door de wet verplicht worden gesteld. We gaan niet subsidiëren wat mensen/bedrijven wettelijk verplicht moeten laten installeren.  

    Met vernieuwende organisatie van bestaande instrumenten wordt de mogelijkheid geboden dat groene demonstratieprojecten zich niet per se hoeven focussen op innovatieve energie-efficiëntie technieken, maar dat ze ook bestaande technieken kunnen installeren als de manier waarop (de "organisatie") vernieuwend is. Dus bijvoorbeeld met een esco of iets dergelijks. De achtergrond bij dat laatste is het gegeven dat uit de impactevaluatie voor Interreg V bleek dat we voor de demonstratieprojecten eigenlijk te ver zijn gegaan met onze technologisch-innovatieve focus en er te weinig oog voor hadden dat klimaat en milieu er soms beter bij zijn geholpen dat bestaande technieken beter/slimmer worden ingezet. Zie ook de tekst hierover in het laatste hoofdstuk van de Gebiedsanalyse ("lessen uit het verleden"). 

  • Er wordt regelmatig melding gemaakt van het benutten van ‘koppelkansen’, waarbij er dan staat ‘Het programma heeft bijzondere aandacht voor projecten waarin synergie tussen sectoren wordt gerealiseerd’. Wat betekent dit?

    De koppelkansen wijzen erop dat water, energie, mobiliteit, lucht, … soms niet los van elkaar gezien kunnen worden. De sectoren waarvan hier sprake gaat niet zozeer om economische sectoren, maar eerder als ‘beleidssectoren’ (of andere domeinen van het ‘klimaat-verhaal’ waarop de overheid mogelijk niet actief is). 

  • Mag studiewerk onderdeel zijn van een demonstratieproject, bv. wanneer het gaat om studiewerk om na te gaan of de beproefde technieken ook elders kunnen worden ingezet.

    Ja, studies kunnen onderdeel zijn van een demonstratieproject. Dit kan gaan om zowel een voorbereidende technische studie voor de demonstratie-investering in het project, als om analyses naar de effecten van de investering, als om studies naar de overdraagbaarheid van de toepaste oplossing naar andere situaties. Een analyse van de effecten van de investering en de verspreiding ervan in bv. rapportvorm heeft zeker een meerwaarde. In verband met studies naar de overdraagbaarheid is het belangrijk voor ogen te houden dat we van projecten verwachten dat de gesubsidieerde demonstraties sowieso toepasbaar moeten zijn in andere situaties. Anders is er geen echte demonstratiewaarde zoals we die in het IP bedoelen. 

    Een aandachtspunt voor het opnemen van studies ivm de overdraagbaarheid:  

    • de scope van dit studiewerk moet in de projectaanvraag zo concreet mogelijk worden omschreven, zodat er tijdens de uitvoering niet gelijk welke externe studie richting niet expliciet in de projectaanvraag genoemde locaties onder kan worden geschoven. 
    • Het moet in de eerste plaats gaan om de overdraagbaarheid naar andere situaties, die ook in het programmagebied kunnen voorkomen.  

    Ook verwachten we dat er in een demonstratieproject meer gebeurt dan louter studiewerk. Er moet sprake zijn van activiteiten met een directe demonstratiewaarde (bv. fysieke investering). 

    Een aandachtspunt voor de value-for-money beoordeling is dat dergelijke studies niet per se extern zouden moeten worden uitgevoerd. Soms kunnen de medewerkers van de betrokken projectpartners zelf goed geplaatst zijn. Maar dit is ad hoc te bekijken, onder andere op basis van het soort demonstratie en het soort studie/analyse die wordt beoogd. 

    Ook wordt het realiteitsgehalte van de projectplanning beoordeeld. Mogelijk is het niet haalbaar om binnen een projectperiode van 3 jaar veel studies voor en/of na de investering uit te voeren, in combinatie met de investering zelf. 

    Als er voorbereidende studies nodig zijn om na te gaan òf de demonstratie überhaupt haalbaar is, dan is er het risico dat het “demonstratieproject” uiteindelijk geen feitelijke (tastbare) demonstratie oplevert (binnen de projectperiode). Projecten met dit risico zijn niet bij voorbaat kansloos maar zullen doorgaans minder scoren op de criteria, aangezien er onzekerheid is of de kern van het project wel zal kunnen worden uitgevoerd. 

    Tot slot kunnen we ook aangeven dat demonstraties die bij de projectgoedkeuring klaar staan voor uitvoering en geen voorafgaand studiewerk behoeven, ook zeker welkom zijn. 


Subsidiabiliteit

  • Zijn haalbaarheidsstudies ook subsidiabel?

    Ja. 
    Interreg VI voorziet haalbaarheidsstudies als mogelijke activiteiten onder doelstellingen A1, B1, B2, B3, B5, B6 en D1. Wel gaat – zeker in prioriteiten A en B – de voorkeur sterk uit naar haalbaarheidsstudies waaraan binnen de duur van het project een luik ‘uitvoering’ gekoppeld is. 

  • Is bij demonstraties enkel de meerkost t.o.v. een standaardinvestering subsidiabel of is de hele investering subsidiabel?

    De volledige investeringskost is subsidiabel voor het programma. Indien een project enkel het “duurzame” deel van een investering (bv. het deel dat betrekking heeft op grondstof- of energie-efficiëntie) bevat, dient dit deel ook duidelijk afgescheiden terug te vinden te zijn op de facturen. 

  • Hoe groot kan een projectsubsidie zijn?

    Er wordt geen formeel minimum en maximum vastgesteld.
    Er wordt echter wel aangeraden om in prioriteiten A, B en C slechts projecten in te dienen met een omvang van ten minste € 300.000 aan EFRO-subsidie. Bij een project met een kleinere omvang zullen de administratieve lasten verhoudingsgewijs te groot zijn. Prioriteit D leent zicht mogelijk wel tot kleinere projecten (al dan niet onder de koepel van een Fonds voor Kleinschalige Projecten – SPF). 

    Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met het maximumbedrag dat per projectoproep (per thema of prioriteit) kan worden verdeeld. Een belangrijk criterium voor de beoordeling van de subsidievraag blijft uiteindelijk ook de ‘value for money’: worden de geplande activiteiten gerealiseerd voor een billijke kostprijs? 

  • Zijn voorschotfacturen subsidiabel?

    Nee, voorschotfacturen an sich zijn niet subsidiabel. 

    Conform de verordening zijn enkel daadwerkelijk gemaakte en betaalde uitgaven subsidiabel. Daadwerkelijk gemaakte uitgaven = uitgaven waarvoor de prestatie werd geleverd.  

    Na ontvangst en betaling van de eindfactuur/slotfactuur/eindafrekening kunnen alle aan de prestatie gerelateerde kosten gedeclareerd worden in het e-loket. De declaratietermijn van 6 maanden begint te lopen vanaf de betaling van de eindfactuur/slotfactuur/eindafrekening. Bij declaratie van die kosten worden de referenties van de eindfactuur/slotfactuur/eindafrekening opgegeven en alle facturen (voorschotfacturen + eindfactuur/slotfactuur/eindafrekening die over dezelfde levering/dienst gaan) opgeladen. 

  • Hoe kunnen projectkosten van een ‘voucherwerking’ subsidiabel zijn?

    Bij een ‘voucherwerking’ voorziet het project om gratis diensten of producten te leveren aan een doelgroep (bv. innovatie-advies aan een ondernemer, groene ingrepen uitvoeren bij een organisatie,…).
    De doelgroep zelf treedt niet toe tot het partnerschap en ontvangt dus ook geen EFRO-middelen. In een dergelijk opzet voorziet het projectpartnerschap de kosten in haar kostenplan (of financiert ze die uitgaven via de 40% forfait). Tijdens de projectuitvoering zorgen de partners dat de nodige activiteiten (intern of extern) worden uitgevoerd of de gewenste producten worden geleverd. De overeenkomstige kosten worden dan door de projectpartners gedeclareerd (of gefinancierd via de 40%). De wet op aanbesteden/overheidsopdrachten en staatssteun aan het 2e niveau zijn hierbij belangrijke aandachtspunten.  


40%-forfait

  • Gelden de publicatieverplichtingen ook voor zaken die via dit forfait worden vergoed?

    Ja. 
    Alle output van het project blijft onderworpen aan de PR-verplichtingen.


Financiering

  • Zal het moeilijk zijn om een cofinancieringstoezegging te wijzigen?

    Nee.

    Via de garantieverklaring (onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst) stelt elke projectpartner zich garant om voor de nodige financiering te zorgen bovenop de projectsubsidie. Tijdens de looptijd van het project moet de projectpartner de financieringstabel doorlopend actualiseren; hier is geen toestemming van het secretariaat of de projectverantwoordelijke voor nodig. Het EFRO-bedrag en -percentage kunnen via deze werkwijze niet wijzigen. 

  • Kan cofinanciering ‘in kind’ via eigen infrastructuur of onderzoeksmiddelen ingebracht worden?

    Nee.
    Inbreng ‘in kind’ (= inbreng in natura) is geen subsidiabele uitgave. Afschrijvingen voor uitrusting en infrastructuur aangekocht voor de projectperiode kunnen wel ingebracht worden, op voorwaarde dat er voor de aankoop van deze uitrusting of infrastructuur geen subsidies werden ontvangen.

  • Kunnen Interreg-subsidies gecombineerd worden met andere overheidssubsidies?
    Ja (onder voorwaarden). 

    Het Programmareglement bepaalt dat er geen overfinanciering of Europese dubbelfinanciering mag zijn. Interreg-subsidies kunnen dus niet gecombineerd worden met andere Europese subsidies, maar wel met andere publieke financiering (nationaal, provinciaal, lokaal), zolang er niet meer dan 100% wordt gefinancierd. 

    Het verbod op Europese dubbelfinanciering sluit ook een combinatie tussen Interreg- middelen en ‘relancemiddelen’ (RRF en/of React-EU) uit. Het relevante verordenings- artikel lid 9 van de CPR-verordening (2021/1060) verbiedt immers voor dezelfde kosten een combinatie van EFRO-middelen met  ‘steun uit een ander fonds of instrument van de Unie; en steun uit hetzelfde fonds in het kader van een ander programma.  


    Let op: de totale publieke financiering moet altijd wel binnen de staatssteunregels en -percentages vallen.   

  • Als een organisatie overheidsmiddelen ontvangt, maakt het dan iets uit of dit algemene werkingsmiddelen zijn of dat het doel- en projectgebonden middelen zijn?

    Ja.
    Als de overheidsmiddelen die een organisatie ontvangt, bestemd zijn voor het behalen van een aangewezen doelstelling of project (breder dan het Interreg-project), dan is dit publieke cofinanciering. Het is dan geen ‘eigen bijdrage’, zodat opgelet moet worden voor overfinanciering vanuit publieke middelen.

    Als de overheidsmiddelen die een organisatie ontvangt algemene werkingsmiddelen zijn, dan gelden ze als ‘eigen middelen van de organisatie’. 

    Dit onderscheid is bv. in het kader van staatssteun relevant voor het bepalen van de concrete publieke steunintensiteit. 


Voorfinanciering

  • Wat is voorfinanciering binnen Interreg Vlaanderen-Nederland?

    Het programma Interreg Vlaanderen-Nederland biedt voor haar programmaperiode VI de mogelijkheid tot voorfinanciering aan. Partners die EFRO subsidie vragen, kunnen een deel van de toegekende subsidie via voorfinanciering ontvangen, als een voorschot op de totale EFRO-subsidie.

  • Kan iedereen voorfinanciering aanvragen?

    Elke partner die EFRO middelen aanvraagt, kan voorfinanciering aanvragen.

    Er zijn twee rangordes:

    Rang 1 - KMO’s of MKB’s

    Rang 2 - Overige begunstigden

  • Hoeveel voorfinanciering kan ik aanvragen?

    Elke begunstigde kan maximaal 50% van haar EFRO budget in voorfinanciering ontvangen, met een maximaal plafond van 100.000 EUR aan EFRO.

    Voorbeeld 1: Een partner heeft een totaal budget van 400.000 EUR met een EFRO-percentage van 50%. Dat is een EFRO-bijdrage van 200.000 EUR. Zij kan maximaal 100.000 EUR als voorfinanciering ontvangen.

    Voorbeeld 2: een partner heeft een totaal budget van 400.000 EUR met een EFRO-percentage van 30%. Dat is een EFRO-bijdrage van 120.000 EUR. Zij kan maximaal 60.000 EUR als voorfinanciering ontvangen.

    Voorbeeld 3: een partner heeft een totaalbudget van 600.000 EUR met een EFRO-percentage van 50%. Dat is een EFRO-bijdrage van 300.000 EUR. Zij kan maximaal 100.000 EUR als voorfinanciering ontvangen.

  • Hoe vraag ik voorfinanciering aan?

    Je kunt voorfinanciering aanvragen via het e-loket (tab Budgetten). Ben je partner in een project, dan moet je Projectverantwoordelijke de aanvraag mee goedkeuren.

    De aanvraag moet door het programma apart worden goedgekeurd: je dient ze dan ook los in van de projectaanvraag. Vanzelfsprekend kun je geen voorfinanciering toegekend krijgen als je project niet wordt goedgekeurd.

  • Wanneer vraag ik voorfinanciering aan?

    Je vraagt je voorfinanciering aan ten laatste voor de eerste aanvaarding van kosten in het e-loket.

    Dit kan reeds in de fase aanvraag (op voorwaarde dat je een kosten- en financieringsplan klaar en volledig hebt), maar in dat geval zal de aanvraag tot voorfinanciering pas in behandeling worden genomen vanaf dat de projectaanvraag formeel werd ingediend.

  • Hoe wordt mijn aanvraag behandeld?

    Het programma gaat na of de aanvraag correct en tijdig is.

    Het programma kent een rang toe.

    Het programma gaat na of het gaat om begunstigden die geen Onderneming in Moeilijkheden zijn (of verifieert dat deze toets niet nodig is).

    Het programma gaat na of het project reeds werd ingediend.

    Het programma verwerkt de aanvragen in volgorde, per rang en hanteert daarbij een First In, First out principe. De aanvraagdatum (van de voorfinanciering) is leidend.

    Diende je een aanvraag voorfinanciering in vóór indiening aanvraag van je project? Dan wordt je aanvraagdatum voorfinanciering automatisch de datum van indiening van je projectaanvraag.

    Diende je een aanvraag voorfinanciering in na indiening aanvraag van je project. Dan geldt de effectieve datum van je aanvraag tot voorfinanciering.

    Effectieve toekenning van voorfinanciering kan ten vroegste vanaf goedkeuring van het project.

  • Kan mijn aanvraag geweigerd worden?

    Het programma voorziet voorfinanciering als een gunst, geen recht. De toekenning van voorfinanciering is steeds afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende fondsen bij het programma. Het programma kan een aanvraag in ieder geval steeds weigeren.

  • Hoe betaal ik mijn voorfinanciering terug?

    Als je voorfinanciering hebt ontvangen, zal op je declaraties steeds een vast bedrag aan EFRO bijdrage worden ingehouden door het programma, tot de voorfinanciering volledig is afgelost.

  • Kan ik mijn voorfinanciering niet op het einde afrekenen?

    Neen, dat is niet mogelijk.

    Het systeem van voorfinanciering maakt dat je moet afwegen of je liever een (substantieel) voorschot op je EFRO ontvangt met een systeem van korting op de declaraties, dan wel of je alle toegekende EFRO op het tempo van je declaraties wil ontvangen. 


Onderneming in moeilijkheden (OIM)

  • Wat is een Onderneming in Moeilijkheden?

    De solvabiliteit van een onderneming geeft inzicht in de financiële gezondheid van een bedrijf op de langere termijn. Een ‘onderneming in moeilijkheden’ (afgekort OIM) is een onderneming met een zwakke solvabiliteit. Het gaat dus niet alleen aan bedrijven in faling of gerechtelijke reorganisatie, maar het is een breder begrip. Een Onderneming in Moeilijkheden is een term gedefinieerd door de EU en vormt een cruciaal gegeven bij jouw aanvraagdossier.

    De definitie vind je terug in artikel 2, 18 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

  • Waarom is dat voor mij belangrijk?

    De EU staat Interreg niet toe aan een Onderneming in moeilijkheden subsidies toe te kennen. De status van jouw bedrijf (OIM of niet) bepaalt dus of je kan deelnemen aan een project of niet.

  • Wie moet een OIM toets aanleveren?

    Private, winstgerichte ondernemingen moeten een OIM toets aanleveren.

    Het gaat in principe over de volgende rechtsvormen

    BE: NV, BV(BA), CV(OA), CV(BA), VOF, Comm. V(A), LV

    NL: NV, BV, VOF, Comm. V.

    Publieke partijen die in hoofdzaak marktactiviteiten (bijvoorbeeld overheidsbedrijven) uitvoeren, worden niet gecontroleerd, ook als ze een van bovenstaande rechtsvormen aannemen (vb. NV van publiek recht).

    Ondernemingen met de volgende rechtsvormen moeten geen OIM toets aanleveren: eenmanszaak, maatschap, Vereniging (NL), (I)VZW , coöperatie (NL), stichtingen.

    Is je onderneming jonger dan drie jaar? Dan moet je ook geen toets aanleveren. Let op : als je onderneming deel uitmaakt van een groep, wordt gekeken naar de leeftijd binnen die groep (dus de oudste verbonden onderneming)!

    Het Secretariaat behoudt het recht om in uitzonderlijke gevallen toch een toets te vragen.

  • Waarom vraagt de toets Onderneming in moeilijkheden of ik een KMO of MKB ben?

    Indien je een KMO of MKB bent, vul je enkel de toets in voor KMO’s/MKB’s (‘alle ondernemingen’).

    Ben je een grote onderneming? Dan vul je bijkomend het onderdeel in voor ‘grote ondernemingen’.

    Ben je niet zeker of je onderneming een KMO/MKB of grote onderneming is? Ga je status via deze online tool na (in het Engels).  Zorg dat je de nodige stukken bij de hand hebt om vlot de toets te kunnen uitvoeren(jaarrekeningen, balans, aantal personeelsleden). 

  • Hoe toon ik aan dat ik geen Onderneming in Moeilijkheden ben?

    Je vult het sjabloon van de OIM toets in op basis van de laatste goedgekeurde jaarrekening voor de deelnemende entiteit. Dit sjabloon kan je invullen in het e-loket vanaf de fase Aanvraag.

    Is jouw onderneming volledig onafhankelijk van andere ondernemingen? Maakt ze met andere woorden geen deel uit van een groep, dan bereken je alleen de OIM-status op het niveau van  jouw onderneming (stand-alone).

    Is jouw onderneming verbonden met andere ondernemingen, dan behoort zij tot een groep. In dit geval gebeurt ook een toets op groepsniveau. In de praktijk betekent dit een toets op het niveau van jouw organisatie en een toets voor alle moederbedrijven. Is er een geconsolideerde jaarrekening voor de gehele groep? Dan kan deze tweede toets eenvoudig gebeuren op het hoogste consolidatieniveau.

  • Hoe bereken ik exact mijn OIM status?

    Zowel de toets in het e-loket als de excel geven aan welke informatie je waar moet invullen. Beide tools rekenen jouw status voor jou uit.

  • Waar vind ik de gegevens die ik moet in invullen in de OIM toets?

    Je vindt de cijfers in de laatst goedgekeurde jaarrekening (BE) of jaarverslag (NL) van jouw onderneming. Ben je deel van een groep? Dan heb je bijkomend de cijfers nodig op het hoogste consolidatieniveau.

    Ben je een grote onderneming, dan heb je ook de voorlaatste goedgekeurde jaarrekening nodig.

    Als het programma vraagt om een meer recente stand van zaken, dan kunnen ook cijfers worden gebruikt uit een tussentijdse jaarrekening. Die laat je dan wel valideren door een externe revisor.

  • Waar vul ik mijn OIM toets in en hoe bezorg ik die aan Interreg?

    Je vult de OIM toets in via het e-loket. Ga in jouw project naar de tab ‘Selfservice’ en kies voor de toets OIM in de menubalk. De ingevulde gegevens zijn enkel leesbaar door jouw organisatie, de projectverantwoordelijke en Interreg. Je vraagt validatie van de ingevulde toets aan via het e-loket.

    Het programma stelt ook nog een te downloaden excel ter beschikking met dezelfde formules: deze vind je hier.

    Let op: formele validatie van je status kan je enkel via het e-loket aanvragen!

  • Wanneer moet mijn status ten laatste gevalideerd zijn?

    Op het moment dat de subsidie wordt toegewezen. Dit wil zeggen: op het ogenblik van de goedkeuring van jouw project moet Interreg kunnen vaststellen dat je geen Onderneming in moeilijkheden bent.  Bij een later toetredende partner in een open partnerschap is dat voor de inkoppeling in het e-loket.

    Is je status niet uitgeklaard op moment van goedkeuring? Dan zijn gemaakte kosten niet subsidiabel tot de status kon worden gevalideerd.

    Let op: op moment dat je een projectaanvraag indient moeten alle partners die een OIM toets moesten invullen, minstens al een versie van de toets hebben ingevuld. Om een aanvraag succesvol in te dienen, moet de toets nog niet gevalideerd zijn op moment van aanvraag.

  • Ik ben mogelijk een Onderneming in Moeilijkheden. Hoe los ik dat op zodat ik kan deelnemen?

    Is het resultaat van de toets niet positief? Contacteer zeker uw projectadviseur voor gericht advies.

    Er zijn een aantal mogelijkheden om alsnog een positieve toets te bekomen:

    • OIM-exit is mogelijk door een sterk verbeterde rendabiliteit wat zich vertaalt in een sterk gestegen overgedragen winst bij resultaatverwerking. M.a.w. recentere positieve cijfers waarbij het ratio positief wordt.

    Zijn er meer recente, eventueel tussentijdse cijfers beschikbaar die een ander beeld kunnen schetsen? Vul dan de toets in met deze tussentijdse cijfers (let wel: deze moeten geattesteerd zijn door een auditor of externe accountant). Deze cijfers mogen niet ouder zijn dan twee maanden voor de goedkeuringsdatum van het project.

    • OIM-exit is mogelijk via een kapitaal of inbrengoperatie (vb. kapitaalverhoging en/of kapitaalvermindering of operaties m.b.t. het agio of de uitgiftepremie).

    Bij kapitaalsverhogingen moet een notariële akte bijgevoegd worden.

  • Mag ik een achtergestelde lening als eigen vermogen meetellen?

    Een achtergestelde lening kan voor de berekening van je OIM status niet meetellen als eigen vermogen.

  • Waar vind ik meer achtergrondinformatie?

    Je kan hier onze leidraad Onderneming in Moeilijkheden nalezen. Heb je hulp nodig bij het invullen van de toets? Neem dan contact op met jouw projectadviseur of het Secretariaat.
    Wil je meer weten over de Europese KMO/MKB definitie? Je kan hierover meer informatie vinden op deze pagina.


Kader

  • Mag een partner deelnemen aan slechts één werkpakket?

    Ja.
    Een partner mag ook als volwaardig partner deelnemen aan slechts één inhoudelijk werkpakket. Men moet wel duidelijk aangeven wat de meerwaarde is van de partner en op welke manier de partners samenwerken. Hieruit kan blijken dat de deelname van een partner aan het project slechts een meerwaarde heeft voor één inhoudelijk werkpakket. Het valt overigens ook binnen de verwachtingen dat alle partners deelnemen aan het verplichte werkpakket ‘projectmanagement’. 

  • Wanneer is er sprake van grensoverschrijdende meerwaarde?

    Bij de beoordeling van de grensoverschrijdende meerwaarde wordt er gekeken naar een vijftal elementen: 

    1. Noodzaak van gezamenlijke aanpak. Sommige problemen of opportuniteiten kunnen enkel in gezamenlijkheid worden aangepakt. We kunnen hierbij denken aan grensknelpunten (harmonisatie regelgeving, ontwerpen regelgeving rond/t.b.v. grensoverschrijdende interacties, …) of aan inrichtingsmaatregelen (t.b.v. klimaatadaptatie, biodiversiteit …) die gezamenlijk moeten worden tot stand gebracht, omdat enkel dan het beoogde doel bereikt kan worden.
    2. Schaalvoordelen. Er kunnen schaalvoordelen ontstaan als men bijvoorbeeld een installatie bouwt waarvoor de kritische massa in enkel Vlaanderen of Zuid-Nederland te klein is, maar die voor het gehele grensgebied een duidelijke meerwaarde betekent als men er langs beide kanten van de grens gebruik kan van maken. 
    3. Complementariteit van activiteiten. Er ontstaat een grensoverschrijdende meerwaarde als men complementaire activiteiten uitvoert op verschillende locaties langs weerzijden van de grens, in tegenstelling tot gelijkaardige activiteiten waarbij louter de locatie verschillend is of geheel verschillende activiteiten die verder weinig raakvlakken hebben. De complementariteit zorgt ervoor dat men effectief van elkaar kan leren. 
    4. Kenniseffecten. Een grensoverschrijdende meerwaarde kan ook voortvloeien uit het feit dat men van elkaar leert omwille van verschillen in aanpak of in expertise wat kan zorgen voor verdere kruisbestuiving en kenniseffecten. 
    5. Stimulans voor grensoverschrijdende interactie. Als een project aanzet tot (bij voorkeur duurzame) grensoverschrijdende interactie van doelgroepen (contacten, doelgroepen die over de grens voorzieningen benutten) kan er eveneens sprake zijn een grensoverschrijdende meerwaarde. 
  • Moeten er daadwerkelijk projectactiviteiten aan beide zijden van de grens plaatsvinden?

    Nee.
    Er is geen selectiecriterium aan de hand waarvan specifiek wordt afgetoetst of de projectactiviteiten daadwerkelijk aan beide zijden van de grens plaatsvinden. Natuurlijk is het zeer belangrijk dat het project een (sterk) grensoverschrijdend karakter heeft. Om als regulier project (= geen SPF) ontvankelijk te zijn moet er in ieder geval minstens één partner (met garantie voor financiering) van beide zijden zijn (of een EGTS of grensoverschrijdende rechtspersoon). Voor verdere inhoudelijke duiding, zie bovenstaande vraag m.b.t. ‘grensoverschrijdende meerwaarde’. 

  • Als een project wil werken aan de instroom van mannen in typische vrouwenberoepen (bijv. zorg) of vrouwen in mannenberoepen (bijv. STEM-richtingen), is dit dan strijdig met het gelijkheidsbeginsel man-vrouw?

    Nee.

    Het beleid van de EU is erop gericht om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verminderen, en ‘gendergelijkheid’ is één van de doelstellingen van de EU 2020-strategie. Onder meer via het Europees Instituut van Gendergelijkheid wordt dit gestimuleerd. EIGE heeft per land informatie opgenomen over de stand van zaken, inclusief ‘Good Practices’ waarbij gericht wordt ingezet op doelgroepen in bepaalde domeinen (voorbeeld België: klik hier). 

    Initiatieven die een bestaande kloof – bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt – verkleinen, leveren juist een positieve bijdrage aan het horizontale principe ‘gelijkheid van mannen en vrouwen’. Een projectvoorstel moet natuurlijk wel onderbouwen welke ongelijkheid men wil aanpakken, en op welke wijze dit gebeurt. 

  • Kan een investering buiten het programmagebied in aanmerking komen voor EFRO/Interreg-subsidie in aanmerking?

    Ja.
    Het volgende ontvankelijkheidscriterium geldt voor de plaats van uitvoering van een project: de effecten van het project hebben in de eerste plaats betrekking op het programmagebied Interreg Vlaanderen-Nederland. 


Partnerschap

  • Wat is de ideale grootte van een partnerschap?

    In geval van een SPF geldt dat er slechts 1 partner kan zijn. 
    Voor reguliere projecten kan het volgende worden aangegeven: er moet formeel minstens één partner langs elke kant van de grens deel uitmaken van het partnerschap (tenzij het gaat om een EGTS of grensoverschrijdende rechtspersoon). De meerwaarde die elke partner afzonderlijk kan bieden, is uiteindelijk bepalend voor de grootte van het partnerschap. Er dient een evenwicht te zijn tussen de beheersbaarheid van het partnerschap (niet té groot) en voldoende capaciteit en draagvlak voor het project (niet té klein). 

  • ​Kan de projectverantwoordelijke afkomstig zijn van buiten het programmagebied?

    Ja.
    Als beoordelingscriteria gelden volgende twee stelregels m.b.t. de locatie van partners:

    • De effecten van het project hebben in de eerste plaats betrekking op het programmagebied Interreg Vlaanderen - Nederland.  
    • In de uitvoering van het project is er minstens aan beide zijden van de grens één partner betrokken; of er is een EGTS of een grensoverschrijdende rechtspersoon betrokken, die: 
      • in België of Nederland geregistreerd is; 
      • en minstens één Belgische en één Nederlandse organisatie als lid heeft. 

    Wel is het in dergelijk geval aangeraden voldoende te motiveren waarom deze partner de rol van projectverantwoordelijke moet opnemen en waarom dit niet kan gebeuren door een partner van binnen het programmagebied. 

  • Kunnen ook niet-bedrijven geselecteerd worden via de ‘bijzondere vormen van projectdeelname’?

    Ja.
    Beide constructies zijn bedoeld om bij projectuitvoering partners toe te voegen die tijdens de projectontwikkeling nog niet gekend waren/konden zijn. De belangrijkste doelgroep is in de eerste plaats de bedrijven, maar ook andere entiteiten kunnen – indien dit een meerwaarde heeft t.o.v. volwaardig deelnemen vanaf de goedkeuring – als eindontvanger of toetredende begunstigde worden geselecteerd. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat dit niet door de projectaanvraag en/of het SPF-reglement van dat concrete project wordt uitgesloten.  

  • Wanneer verwachten we dat een organisatie die geen EFRO aanvraagt, wel formeel toetreedt tot het partnerschap?

    We verwachten dat elke organisatie die een essentiële bijdrage levert aan de projectuitvoering opgenomen is in het partnerschap. Indien we vaststellen dat een dergelijke voor het project belangrijke organisatie niet als partner is opgenomen, roept dit vragen op over het engagement dat die organisatie is aangegaan richting het project en dus ook over de haalbaarheid van de betrokken projectactiviteiten. Het afleveren van bijvoorbeeld een engagementsverklaring heeft niet dezelfde kracht als een ondertekende samenwerkingsovereenkomst. 


Overig

  • Welk niveau van detail wordt verwacht in de aanmelding?

    Voor het antwoord op deze vraag verwijzen wij u naar de Leidraad aanmelding.

  • Kan een project tijdens de uitwerking van een aanmelding tot een volledige aanvraag zelf nog besluiten van Specifieke Doelstelling te wisselen?

    Nee.

    Het Comité van Toezicht neemt een gemotiveerd besluit over de preselectie. De beslissing over de specifieke doelstelling maakt hier onlosmakelijk deel van uit. Dit CvT-besluit wordt ook zo gecommuniceerd aan de aanvrager. Hier kan niet van worden afgeweken. 

    Bij het opstellen van het GS-advies en het COG-advies zijn de inhoudelijke aansluiting en de budgettaire verdeling over de specifieke doelstellingen meegewogen. Het wisselen van SD zou afbreuk doen aan deze integrale beoordeling.  

  • De activiteiten van een project dragen bij aan meerdere Specifieke Doelstellingen van het IP, waaronder ook prioriteit D. Hoe kiezen we de SD waarin deze best wordt ingediend?

    Om te besluiten waar het moet worden ingediend, moet er gekeken worden waar de hoofdfocus van het project ligt. Belangrijk is ook om te kijken of het om een coherent geheel aan activiteiten gaat. Indien dit niet helemaal het geval is, gaat het in wezen om 2 (of meerdere) projectideeën en worden ze best apart aangemeld, elk in de voor hen meest relevante SD.  

    Ten aanzien van (activiteiten die passen binnen) prioriteit D zijn er geen andere richtlijnen dan voor de overige SD’s. Het is niet verboden om dergelijke activiteiten als (coherent) onderdeel van een groter project uit te voeren in een andere SD. We behandelen prioriteit D in dat opzicht op dezelfde manier als elke andere SD.