FAQ

Vind je in deze FAQ-lijst niet de antwoorden die je zoekt, kijk dan zeker naar de verschillende gidsen en leidraden op deze website, benader één van onze projectadviseurs, of stuur een mail naar info@grensregio.eu.


Inhoudelijk

  • Wat is het verschil tussen ‘uitrol’ en ‘demonstratie’?

    Demonstraties of pilots vormen de brug tussen het afronden van een onderzoek en de grootschalige uitrol (of implementatie) van een innovatie. Zij bieden de mogelijkheid om innovaties te testen in uiteenlopende contexten. Een belangrijk kenmerk van demonstraties/ pilots is dat deze toegankelijk dienen te zijn en een duidelijke demonstratiewaarde hebben. Per locatie moet de toegevoegde waarde van de demonstratie of pilot worden onderbouwd. Grootschalige uitrol of implementatie van een innovatie is niet haalbaar gezien de beperkte middelen die het programma ter beschikking heeft. Zodoende is dit niet subsidiabel binnen Interreg Vlaanderen-Nederland.

  • Kan mobiliteit worden gefinancierd binnen Interreg Vlaanderen-Nederland?

    Ja.

    Projecten rond logistiek, transport en distributie kunnen gefinancierd worden door het programma, voor zover zij binnen een programmadoelstelling passen en voldoen aan de voorwaarden die voor de doelstelling gelden. Vooral doelstellingen 1a, 1b, 2a, 2c, 3b en 4 lijken mogelijkheden te bieden.

  • Hoe verhoudt het Interreg-programma Vlaanderen-Nederland, en dan in het bijzonder het thema ‘arbeidsmarkt’, zich t.o.v. het Europees Sociaal Fonds?

    Interreg-projecten onder het thema ‘arbeidsmarkt’ onderscheiden zich van ESF-projecten door het grensoverschrijdende aspect. Inhoudelijke overlap is mogelijk.

  • Hoe kunnen culturele ecosysteemdiensten ondersteund worden onder SD 3a?

    Ecosysteemdiensten zijn diensten die door ecosystemen geleverd worden. Zij vallen uiteen in vier grote categorieën: producerende diensten (bijv. grondstoffen, voedsel), regulerende diensten (bijv. regulering klimaat), culturele diensten (bijv. geestelijke verruiming, recreatie) en ondersteunende diensten (bijv. bodemvorming en fotosynthese). Wanneer in het Samenwerkingsprogramma dus gesproken wordt over het handhaven en herstellen van ecosysteemdiensten, dan dient dit gelezen te worden als het handhaven en herstellen van ecosystemen zodat bepaalde diensten bestendigd/versterkt kunnen worden. 

    Voor de duidelijkheid: er is een onderscheid tussen enerzijds investeringen in het ecosysteem dat voor de diensten zorgt (bv. ‘de gezondheid van het bos’) en anderzijds flankerende investeringen die toelaten gemakkelijker van de diensten gebruik te maken (bv. ‘de wandelpaden door het bos’). Deze laatste passen niet in deze SD. Dit blijkt ook uit de operationalisering die reeds in de omschrijving van de SD is opgenomen, nl. “Het beschermen en herstellen van de biodiversiteit, bodembescherming en –herstel en het bevorderen van ecosysteemdiensten, door gezamenlijke aanpak van milieuproblematieken in de economisch intensief benutte Grensregio.”

  • ​Biedt het programma ook mogelijkheden voor de toeristische sector?

    De bijdrage van een onderneming aan een project dat past binnen het Samenwerkingsprogramma, is leidend.

    Hieruit volgt dat ook toeristische ondernemingen als relevant beschouwd kunnen worden binnen specifieke doelstellingen die niet expliciet op slimme specialisatiestrategieën gericht zijn. Bijvoorbeeld: binnen specifieke doelstelling 3A is het mogelijk dat toeristische ondernemingen betrokken worden bij het onderzoeken / oprichten van publiek-private samenwerkingsverbanden voor natuurbeheer, of actief deelnemen aan het opzetten van alternatieve business modellen voor een meer onafhankelijk/zelfbedruipend natuurbeheer. Opgelet: puur recreatieve activiteiten waarbij bijvoorbeeld wandelpaden of speeltuinen aangelegd worden, passen niet onder een specifieke doelstelling van het samenwerkingsprogramma en zijn dus niet subsidiabel (zie ook de vorige vraag).

    Ook onder specifieke doelstelling 4A is het denkbaar dat de toeristische sector een bijdrage levert aan projectvoorstellen (bv. als stage-aanbieder voor technische profielen). Bij de specifieke doelstellingen inzake hernieuwbare energie of een efficiëntere omgang met hulpbronnen kunnen ten slotte ook relevante toeristische ondernemingen voorkomen.


Subsidiabiliteit

  • Zijn haalbaarheidsstudies ook subsidiabel?

    Ja. 
    Interreg V voorziet haalbaarheidsstudies als mogelijke activiteiten onder doelstellingen 1b, 2a, 2b, 2c, 3b en 3c. Wel gaat de voorkeur sterk uit naar haalbaarheidsstudies waaraan binnen de duur van het project een luik ‘uitvoering’ gekoppeld is.

  • Is bij demonstraties (onder 2a, 2b en 3c) enkel de meerkost t.o.v. standaardinvestering subsidiabel of is de hele investering subsidiabel?

    De volledige investeringskost (minus eventuele inkomsten) is subsidiabel voor het programma. Indien een project enkel het “duurzame” deel van een investering (m.n. het deel dat betrekking heeft op grondstof- of energie-efficiëntie) bevat, dient dit deel ook duidelijk afgescheiden terug te vinden te zijn op de facturen.

    Let op: wanneer er sprake is van staatssteun op grond van een groepsvrijstellingsverordening is in sommige gevallen wel slechts de meerkost subsidiabel.

  • Hoe groot kan een projectsubsidie zijn?

    Er wordt geen formeel minimum en maximum vastgesteld.
    Er wordt echter wel aangeraden om slechts projecten in te dienen met een omvang van ten minste € 200.000 aan EFRO-subsidie. Bij een project met een kleinere omvang zullen de administratieve lasten verhoudingsgewijs te groot zijn. Daarnaast moet ook rekening gehouden worden met het maximumbedrag dat per projectoproep (per thema of prioriteit) kan worden verdeeld. Een belangrijk criterium voor de beoordeling van de subsidievraag blijft uiteindelijk ook de ‘value for money’: worden de geplande activiteiten gerealiseerd voor een billijke kostprijs?

  • Kunnen investeringen op private grond?

    Ja (echter onder voorwaarde)
    Investeringen op private grond kunnen, maar er moet minstens aan de volgende voorwaarden voldaan worden:

    • Eindbegunstigden van EFRO-middelen kunnen geen natuurlijke rechtspersonen zijn.
    • Onder de staatssteunregels dient de steun geoorloofd te zijn.
  • Moeten private partners de aanbestedingswet volgen zoals publieke partners?

    Nee. 

    Het programmareglement schrijft voor dat private partners voor grote opdrachten (waarde meer dan 50.000 EUR exclusief btw) de marktconformiteit van de prijs moeten kunnen aantonen. Als programma hanteert Interreg echter uit voorzichtigheid het principe dat alle uitgaven worden gecontroleerd volgens het controleregime voor publieke partners, tenzij is vastgesteld door het programma dat de uitgaven van de partner kunnen gecontroleerd worden aan de hand van het controleregime voor niet-publieke partners. Zolang de projectpartner via het e-loket nog niet de bevestiging kreeg dat zijn uitgaven aan de hand van het controleregime voor niet-publieke partners worden gecontroleerd, moet de projectpartner de aanbestedingswet (NL) dan wel de wetgeving overheidsopdrachten (B) volgen. Vaak is de administratieve impact van deze wetgeving beperkter dan gedacht, maar om hier een snel een goed beeld van te hebben, raadpleeg de gids aankopen (B) of gids aankopen (NL) op onze website. 


Financiering

  • Zal het moeilijk zijn om een cofinancieringstoezegging te wijzigen?

    Nee.

    Via de garantieverklaring (onderdeel van de samenwerkingsovereenkomst) stelt elke projectpartner zich garant om voor de nodige financiering te zorgen bovenop de projectsubsidie. Tijdens de looptijd van het project moet de projectpartner de financieringstabel doorlopend actualiseren; hier is geen toestemming van het secretariaat of de projectverantwoordelijke voor nodig. Het EFRO-bedrag en -percentage kunnen via deze werkwijze niet wijzigen.

    Let op: in het geval van staatssteun op grond van een groepsvrijstellingsverordening, moet de publieke cofinanciering zijn aangevraagd vóór de startdatum van het project (vanwege het ‘stimulerend effect’ van de financiering).

  • Kan cofinanciering ‘in kind’ via eigen infrastructuur of onderzoeksmiddelen ingebracht worden?

    Nee.
    Inbreng ‘in kind’ (= inbreng in natura) is geen subsidiabele uitgave. Afschrijvingen voor uitrusting en infrastructuur aangekocht voor de projectperiode kunnen wel ingebracht worden, op voorwaarde dat er voor de aankoop van deze uitrusting of infrastructuur geen subsidies werden ontvangen.

  • Kunnen Interreg-subsidies gecombineerd worden met andere overheidssubsidies?

    Ja.

    Het Programmareglement bepaalt dat er geen overfinanciering of Europese dubbelfinanciering mag zijn. Interreg-subsidies kunnen dus niet gecombineerd worden met andere Europese subsidies, maar wel met andere publieke financiering (nationaal, provinciaal, lokaal), zolang er niet meer dan 100% wordt gefinancierd.

    Let op: de totale publieke financiering moet altijd wel binnen de staatssteunregels en -percentages vallen.  

  • Als een organisatie overheidsmiddelen ontvangt, maakt het dan iets uit of dit algemene werkingsmiddelen zijn of dat het doel- en projectgebonden middelen zijn?

    Ja.
    Als de overheidsmiddelen die een organisatie ontvangt, bestemd zijn voor het behalen van een aangewezen doelstelling of project (breder dan het Interreg-project), dan is dit publieke cofinanciering. Het is dan geen ‘eigen bijdrage’, zodat opgelet moet worden voor overfinanciering vanuit publieke middelen.

    Als de overheidsmiddelen die een organisatie ontvangt algemene werkingsmiddelen zijn, dan gelden ze als ‘eigen middelen van de organisatie’.

  • Hoe, waar, wanneer kan cofinanciering aangevraagd worden?

    Leidt dit tot een beschikking (door wie, wanneer)?  Hoe wordt deze cofinanciering ontvangen (in schijven, via CA of via welk kanaal, per partner of aan het project)?  Wie kan ons op deze vragen antwoorden en bij aanvragen/afwikkeling begeleiden?

    Als algemene richtlijn kan meegegeven worden dat een projectpartner (liefst afgestemd met de andere projectpartners van het project) in een zo vroeg mogelijk stadium hun vraag naar cofinanciering rechtstreeks uitzetten bij de instanties die mogelijk bereid is om cofinanciering te verstrekken. De cofinancierende instanties kunnen dan aangeven of de vraag voor cofinanciering kansrijk is, welke stukken wanneer moeten worden bezorgd om de aanvraag te ondersteunen en wat eventueel de voorwaarden zijn. Er zijn geen regels vanuit Interreg die het aanvragen en toekennen van cofinanciering regelen, maar de projectadviseurs zijn doorgaans goed op de hoogte van de procedures die cofinanciering verstrekkende organisaties hanteren. 

    In het projectdossier moet de cofinanciering worden opgenomen op het niveau van een projectpartner en niet op het niveau van een project. De betaling en de afrekening van cofinanciering gebeurt buiten Interreg om. Elke instantie die cofinanciering verstrekt, kiest zijn eigen procedures om de goedgekeurde cofinanciering te formaliseren (al dan niet via een beschikking) en om deze uit te betalen (in schijven, met of zonder voorschotten, rechtstreeks of via de project¬verantwoordelijke,…).

    De goedgekeurde cofinanciering moet na formalisering worden gemeld in de projectaanvraag, door dit aan te geven in het financieringsplan. Een toevoeging van een extra bron van cofinanciering kan op elk moment worden ingevoerd in het e-loket (los van een projectwijziging). Aan Interreg hoeven er geen documenten aangeleverd te worden die de externe cofinanciering onderbouwen, maar in de eigen projectadministratie moet wel bijgehouden worden welke cofinanciering wordt ontvangen zodat bij controle kan aangetoond worden dat er geen sprake is van overfinanciering en dat de overheidssteun niet hoger is dan toegestaan in het kader van de vrijstellingsverordening.


Kader

  • Mag een partner deelnemen aan slechts één werkpakket?

    Ja.
    Een partner mag ook als volwaardig partner deelnemen aan slechts één inhoudelijk werkpakket. Men moet wel duidelijk aangeven wat de meerwaarde is van de partner en op welke manier de partners samenwerken. Hieruit kan blijken dat de deelname van een partner aan het project slechts een meerwaarde heeft voor één inhoudelijk werkpakket. Het valt overigens ook binnen de verwachtingen dat alle partners deelnemen aan het verplichte werkpakket ‘projectmanagement’.

  • Aan welke voorwaarden moet men voldoen om te spreken van ‘betrokkenheid’ van actoren?

    Zie ook naar de indicatorenfiche.

    Men spreekt van betrokkenheid als er een actieve interactie tot stand komt, waarbij specifieke activiteiten (op maat) ten behoeve van de actor worden verricht. Een actor hoeft geen projectpartner te zijn om betrokken te zijn. Voorbeelden zijn deelname aan begeleidingstrajecten of interactieve workshops, onderzoek of deelname als proefbedrijf. Passieve aanwezigheid bij bijeenkomsten of enkel bezoeken van een demonstratielocatie is onvoldoende. Louter behoren tot de doelgroep of aangeschreven worden vergt geen actieve interactie en kan dus niet als betrokkenheid worden aanzien.

  • Wanneer is er sprake van grensoverschrijdende meerwaarde?

    Zie ook naar de uitgewerkte selectiecriteria

    Bij de beoordeling van de grensoverschrijdende meerwaarde wordt er gekeken naar een viertal elementen: 

    1. Schaalvoordelen. Er kunnen schaalvoordelen ontstaan als men bijvoorbeeld een installatie bouwt waarvoor de kritische massa in enkel Vlaanderen of Zuid-Nederland te klein is, maar die voor het gehele grensgebied een duidelijke meerwaarde betekent als men er langs beide kanten van de grens gebruik kan van maken.
    2. Complementariteit van activiteiten. Er ontstaat een grensoverschrijdende meerwaarde als men complementaire activiteiten uitvoert op verschillende locaties langs weerzijden van de grens, in tegenstelling tot gelijkaardige activiteiten waarbij louter de locatie verschillend is of geheel verschillende activiteiten die verder weinig raakvlakken hebben. De complementariteit zorgt ervoor dat men effectief van elkaar kan leren.
    3. Kenniseffecten. Een grensoverschrijdende meerwaarde kan ook voortvloeien uit het feit dat men van elkaar leert omwille van verschillen in aanpak of in expertise wat kan zorgen voor verdere kruisbestuiving en kenniseffecten.
    4. Stimulans voor grensoverschrijdende interactie. Als een project aanzet tot (bij voorkeur duurzame) grensoverschrijdende interactie van doelgroepen (contacten, doelgroepen die over de grens voorzieningen benutten) kan er eveneens sprake zijn een grensoverschrijdende meerwaarde.
  • Moeten er daadwerkelijk projectactiviteiten aan beide zijden van de grens plaatsvinden?

    Nee.
    Er is geen selectiecriterium aan de hand waarvan specifiek wordt afgetoetst of de projectactiviteiten daadwerkelijk aan beide zijden van de grens plaatsvinden. Natuurlijk is het zeer belangrijk dat het project een (sterk) grensoverschrijdend karakter heeft. Om ontvankelijk te zijn moet er in ieder geval minstens één partner (met garantie voor financiering) van beide zijden zijn of een Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking (EGTS). Voor verdere inhoudelijke duiding, zie de bovenstaande vraag m.b.t. ‘grensoverschrijdende meerwaarde’.

  • Als een project wil werken aan de instroom van mannen in typische vrouwenberoepen (bijv. zorg) of vrouwen in mannenberoepen (bijv. STEM-richtingen), is dit dan strijdig met het gelijkheidsbeginsel man-vrouw?

    Ja.

    Het beleid van de EU is erop gericht om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te verminderen, en ‘gendergelijkheid’ is één van de doelstellingen van de EU 2020-strategie. Onder meer via het Europees Instituut van Gendergelijkheid wordt dit gestimuleerd. EIGE heeft per land informatie opgenomen over de stand van zaken, inclusief ‘Good Practices’ waarbij gericht wordt ingezet op doelgroepen in bepaalde domeinen (voorbeeld België: klik hier). 

    Initiatieven die een bestaande kloof – bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt – verkleinen, leveren juist een positieve bijdrage aan het horizontale principe ‘gelijkheid van mannen en vrouwen’. Een projectvoorstel moet natuurlijk wel onderbouwen welke ongelijkheid men wil aanpakken, en op welke wijze dit gebeurt.


Partnerschap

  • Wat is de ideale grootte van een partnerschap?

    Er moet formeel minstens één partner langs elke kant van de grens deel uitmaken van het partnerschap (tenzij het gaat om een EGTS). De meerwaarde die elke partner afzonderlijk kan bieden, is uiteindelijk bepalend voor de grootte van het partnerschap. Er dient een evenwicht te zijn tussen de beheersbaarheid van het partnerschap (niet té groot) en voldoende capaciteit en draagvlak voor het project (niet té klein).

    Een handige vuistregel is om bij een project met meer dan tien partners nog veel nadrukkelijker dan anders te bekijken of elke partner wel effectief een meerwaarde betekent. Het is niet nodig om vanuit elke provincie partners te betrekken. Wel dient elke organisatie die kosten maakt voor een project als partner te worden opgenomen. 

  • ​Kan de projectverantwoordelijke afkomstig zijn van buiten het programmagebied?

    Ja.
    Als beoordelingscriteria gelden volgende twee stelregels m.b.t. de locatie van partners:

    • Het project wordt in voldoende mate uitgevoerd binnen het programmagebied Interreg Vlaanderen - Nederland. De effecten van het project hebben betrekking op voornoemde programmagebied.
    • In de uitvoering van het project is er minstens aan beide zijden van de grens één partner betrokken ofwel is er een EGTS betrokken die is opgericht door minstens één Vlaamse en één Nederlandse publieke autoriteit of instantie.

    Wel dient in een dergelijk geval voldoende gemotiveerd te zijn waarom deze partner de rol van projectverantwoordelijke moet opnemen en waarom dit niet kan gebeuren door een partner van binnen het programmagebied.

  • Zijn er specifieke regels welke soort entiteit in een bepaalde prioriteit de rol van projectverantwoordelijke mag opnemen?

    Nee.
    In het Samenwerkingsprogramma zijn bij de (niet limitatief) opgelijste doelgroepen diverse organisaties opgenomen. Belangrijker dan de vraag wat de status is van de projectverantwoordelijke, is de bijdrage van het project aan het beoogd resultaat en de indicatoren van de desbetreffende specifieke doelstelling, ook rekening houdend met de gidsprincipes.

  • Wat wordt verstaan onder het begrip ‘onderneming’?

    In het Samenwerkingsprogramma wordt een onderneming gezien als een bedrijf: ‘een op winst gerichte organisatie die producten produceert en/of diensten levert om aan marktbehoeften te voldoen’. Dit komt ook zo terug in de indicatoren.

    Echter, in de staatssteunregels wordt het begrip ‘onderneming’ breder gezien: ‘elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm, financieringswijze of eventuele winstoogmerk’. Zodoende kan bijvoorbeeld ook een kleine stichting of een gemeente als onderneming worden beschouwd in het licht van staatssteun. 

  • Kunnen ook niet-bedrijven geselecteerd worden via een Partner Light-constructie?

    Ja.
    De constructie voor Partners Light is bedoeld om bij projectuitvoering partners toe te voegen die tijdens de projectontwikkeling nog niet gekend waren/konden zijn. De belangrijkste doelgroep is in de eerste plaats de bedrijven, maar ook andere entiteiten kunnen – indien dit een meerwaarde heeft t.o.v. volwaardig deelnemen vanaf de goedkeuring – als Partner Light worden geselecteerd. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat dit niet door de projectaanvraag en/of het reglement m.b.t. Partners Light van dat concrete project wordt uitgesloten. 


Definities

  • Wat zijn de definities van ‘industrieel onderzoek’ en ‘experimentele ontwikkeling’?

    Deze vraag wordt uitvoerig behandeld in het document Onderscheid industrieel onderzoek – experimentele ontwikkeling.

  • Wat is een openbaar gebouw?

    Binnen ons Samenwerkingsprogramma wordt een openbaar gebouw gezien als een gebouw dat een functie heeft voor een publiek groter dan de directe gebruikers zoals bewoners, klanten of werknemers van het gebouw. Deze definitie is richtinggevend, en er zal altijd per geval worden beoordeeld of er sprake is van een openbaar gebouw.


Overig

  • ​Inkomsten ex post: hoe moet dit precies gebeuren?

    Met welke uitgaven/inkomsten rekening te houden binnen en buiten de projectperiode? Hoe en wanneer moeten deze gegevens aangeleverd worden (spontaan door de betreffende partner, de PV of alleen nadat bij controle ernaar is gevraagd)?  Komt er hiervoor een template ter beschikking of kan men dit naar eigen inzichten bijhouden? Hoe gebeurt de eventuele terugvordering van onterecht betaalde subsidie? (via PV of rechtstreeks met de partner?)

    De projectpartner moet de ex post inkomstenmonitoring voorbereiden, maar of de partner ook specifieke maatregelen tijdens projectuitvoering moet opzetten, hangt af van de aard van het project en de aard van de te verwachten inkomsten. Dat is ook de reden waarom er geen afgelijnde template voor deze inkomstenmonitoring wordt opgelegd.

    De inkomsten en exploitatiekosten gekoppeld aan investeringen die door ons zijn gesubsidieerd, moeten worden afgelijnd. Het wordt moeilijk wanneer administratief de inkomsten en kosten niet vlot kunnen gescheiden worden van de andere activiteiten van de organisatie (bijvoorbeeld omdat er veel subsidiedossiers met elkaar verweven zijn of de investering verstrengeld is met andere investeringen van de organisatie). Deze scheiding achteraf aanbrengen, is soms niet meer mogelijk, maar dit hangt vooral af van de aard van de activiteiten. Daarom is voorbereiding en maatwerk belangrijk.

    De inkomstenmonitoring loopt in de uitvoeringsperiode en tot drie jaren na stopzetting van het project. De projectpartner moet een declaratie van de netto inkomsten (kan ook gaan om een negatief resultaat) aanleveren voor controle aan de eerstelijnscontrole. De eerstelijnscontrole valideert dit voorstel van de projectpartner indien het voldoende betrouwbaar beeld geeft. Er wordt daarbij gekeken naar de inkomsten die in de jaarrekening zijn opgenomen om na te gaan of er geen projectinkomsten in de monitoring ontbreken. Via een detaillering van deze inkomsten van de jaarrekening kan de projectpartner onderbouwen wat binnen en wat buiten de scope van de investering is ontvangen.

    De verordening laat toe om de inkomsten toe te rekenen pro rata de aanvaarde projectkosten (ten opzichte van de totale investering). Als een organisatie de netto inkomsten die in mindering worden gebracht zo laag mogelijk wil houden, moet hun administratie erop georganiseerd zijn om zo ruim mogelijk de exploitatiekosten van de Interreg-investering te registreren en om de inkomsten gegenereerd door niet-projectkosten uit de inkomstenmonitoring te houden. De scope van de monitoring verschilt dan ook naar gelang de situatie. Het volstaat niet altijd dat er een gescheiden projectboekhouding is. Als een organisatie bijvoorbeeld slechts 1 miljoen aan licentie-inkomsten heeft en er al 4 miljoen ondubbelzinnige exploitatiekosten in hun gescheiden projectboekhouding zitten, dan zal dit allicht volstaan om te bewijzen dat er geen netto inkomsten moeten worden verrekend. 

    In de uitvoeringsperiode kan je via de declaratie niet alleen kosten declareren, maar ook al inkomsten als je die al duidelijk in beeld zou hebben. Tussentijds de inkomsten verrekenen is echter niet efficiënt, tenzij het om aanzienlijke bedragen gaat en er verwacht wordt dat dit niet een tijdelijke piek is in netto inkomsten. Het volstaat doorgaans dat de inkomsten achteraf verrekend worden na afronding van de inkomstenmonitoring gedurende de volledige monitoringperiode. De teveel ontvangen EFRO-steun wordt desgevallend teruggevorderd. Terugvorderingen van onterecht betaalde subsidie verlopen altijd via de projectverantwoordelijke, dus ook bij terugvordering in het kader van de ex post inkomstenmonitoring. 

  • Moet bij de berekening van het standaard uurtarief (SUT) rekening gehouden worden de werkelijke voorheffingen op het loon?

    Het berekenen van een SUT is eenvoudig het toepassen van de SUT-coëfficiënt uit het programmareglement op het brutoloon. Bij de toepassing van het SUT wordt geen rekening gehouden met individuele situaties van de begunstigde en van zijn medewerker (zoals verlofstelsel, niet-productieve uren, premies of subsidies, ziekte of zwangerschap). Dit is in lijn met Europese richtlijnen om vereenvoudigde kostenopties te kunnen toepassen. Het programma heeft voor zowel Vlaanderen als Nederland onafhankelijke studies laten uitvoeren of de berekeningsmethodiek en de gebruikte coëfficiënt billijk zijn. Uit deze studies blijkt ook dat met de te hanteren coëfficiënt het risico op een te hoog SUT (door bijvoorbeeld niet doorstorten van bedrijfsvoorheffing) wordt ondervangen.